Verdeling van een geneesmiddel


WATER EN VOLUME DISTRIBUTIE BLIJKT


Het water in ons lichaam è onderverdeeld in drie compartimenten. Elk compartiment heeft zijn percentage water en più namelijk 4% voor het plasma compartiment 13% voor de intracellulaire en tenslotte 41% van de extracellulaire. De bovengenoemde waarden zijn berekende volumes door het gebruik van verschillende stoffen, die hebben ons een nauwkeurig volume voor elk compartiment beschouwd bepalen.

  • H2O PLASMA ≈ 3 L (Berekend met Evans Blue (molecuul met hoge MW en lipofiele)).
  • H2O EXTRACELLULAIRE ≈ 11 L (Berekend met inuline).
  • H2O INTRACELLULAIRE ≈ 28 L(Berekend met gedeutereerd water (D2O) of ureum).

Het totale volume van het lichaam van het water è van 42 LITER, vertegenwoordigd door de som van alle drie delen van de waterige compartimenten van het lichaam.
Om deze volumes te bepalen è een experimentele bepaling die bestaat uit een intraveneuze injectie van een hoeveelheid door te voerenà kennisgeving van een stof (inuline, Evans blauw, ureum of D2O). Na deze eerste stap, je een bloedonderzoek uitvoeren en ga je naar het volume en de plasma-concentratie van de stoffen geïnjecteerd berekenen.

Uit de relatie tussen de toegediende dosis en gemeten plasmaconcentratie na een bepaalde tijd wordt verkregen Schijnbare DISTRIBUTIE. Het schijnbare verdelingsvolume (Vd) Van een geneesmiddel è theoretische hoeveelheid water in het lichaam nodig is om het bedrag te bevattenà van een geneesmiddel in het lichaam, aannemende dat de concentratie overal uniform en gelijk aan de plasmaconcentratie.

Dosis (mg) (Hoeveelheidà van het geneesmiddel in het lichaam)
Vd (l) =
[Conc.] (Mg / l) (Geneesmiddelconcentratie in plasma)

Ook in dit geval kan de verdelingò worden beïnvloed door verschillende verschijnselen zoals binding aan plasma-eiwitten, de opeenhoping in weefsels, metabolisme en eliminatie. Uit de wiskundige berekening van Vd is può begrijpen als het geneesmiddel wordt verdeeld in een homogeen of inhomogeen. Als distributie è homogene staat zijn om een ​​precieze positie van het geneesmiddel bepalen, wordt de numerieke waarde wordt gevondenà een getal gelijk aan of bevattende de waarden van de drie compartimenten (3, 11 en 28). Als Vd è bijna 3 het geneesmiddel in het bloed blijft, indien het aantal è bijna 11 het geneesmiddel in het bloed blijft en extracellulaire vloeistof, en tenslotte als het aantal è 28 nabij het geneesmiddel in het bloed, in de intracellulaire en extracellulaire vloeistof. Als distributie è inhomogene waarde Vd è aanzienlijk hoger dan 42 liter, zodat het geneesmiddel een è ging van het bloed, niet è werd uitgeschakeld, maar ergens neergelegd in het lichaam.

Vd berekend
(Liter)

Medicijnen

De weefsels waarin het geneesmiddel è gedistribueerde

5

Heparine, warfarine, furosemide

Vloeibaar plasma, vaatstelsel

10-20

Aspirine, ampicilline, gentamicine

Extracellulaire vloeistof (water plasma en interstitiële vloeistof)

20-40

Prednisolon, amoxicilline

Total body water (extra en intracellulaire vloeistoffen)

70

Propranolol, imipramine,

Accumulatie en weefselbinding

Plasma compartiment: Wij richten drugs met een hoog moleculair gewicht of die binden aan plasma-eiwitten en kan niet door de discontinuïteitenà endotheelcellen.

Extracellulaire vloeistof: Wij richten drugs met een laag molecuulgewicht en hydrofiele dat ze niet celmembranen kunnen passeren.

Total body water: We richten drugs met een laag moleculair gewicht hydrofoob.

Factoren die de verdeling van het geneesmiddel beïnvloeden zijn:

  • Chemische en fysische eigenschappen van de stof;
  • Doordringbaarheidà haarvaten;
  • Radius van belang (afstand tussen capillair en andere);
  • Snelheidà perfusie.

De permeabiliteità capillaire varieert afhankelijk van het gebied van het organisme. De minder permeabel zijn die van de hersenen en de bloedhersenbarrière en dan naar degenen die meer doorlaatbaar dan de lever, milt en nieren.

Più è kleine straal van relevantie en meerù er capillairen, daarom groter zijnà sproeien van de stof.

De snelheidà Perfusie è groter in de nieren minder vetweefsel. Aangezien in het vetweefsel circulatie è gebrekkig, de laatste dient als opslagplaats voor de drug. Het geneesmiddel moet worden gedeponeerd in vetweefsel vanwege twee redenen. De eerste reden betreft de doorbloeding van het weefsel, het tweede middel è de sterke liposolubilità van het geneesmiddel. We moeten ook vermelden dat de in vet oplosbare stof ondergaat twee type verspreiding in het lichaam. De eerste verdeling volgt de regels hemodynamische, een prestatie van het doelorgaan, terwijl de tweede herverdeling van het geneesmiddel wordt genoemd. De herverdeling van de drug is vooral afhankelijk van de kenmerken van liposolubilità, Voorò è ook een belangrijke oorzaak die een ongelijke verdeling van het geneesmiddel veroorzaken ophopen in het vetweefsel veroorzaakt.

We vatten de concepten eerder uitgesproken.

Een medicijn om een ​​homogene verdeling moet presenteren:

  • Losjes gebonden aan plasma-eiwitten;
  • Lage PM;
  • Het hebben van de juiste fase in hydrofiele / lipofiele;
  • Niet met affiniteità voor weefsels en cellen die de borg veroorzaken.

Een geneesmiddel om een ​​ongelijke verdeling moeten bepaalde kenmerken zoals:

  • Hoge MW;
  • Idrosolubilità;
  • Liposolubilità hoog (ophoping in vetweefsel);
  • Sterk gebonden aan plasma-eiwitten (moeilijk distributie);
  • Affiniteità sterke chemische stof in bepaalde plaatsen van het lichaam (zoals de Lead met botten en trisofundina, een antifungale huid met affiniteità voor -SH groepen keratine);
  • Affiniteità in het bijzonder barrière (BBB en placenta).